Aantal verpleegkundigen stijgt licht

Het aantal gediplomeerden verpleegkunde is de laatste jaren licht gestegen. De populariteit van de opleidingen verzorging op mbo-niveau 3 steeg vanaf schooljaar 2012/’13 wat sterker. Met name in de opleiding verzorging Individuele Gezondheidszorg (IG) haalden meer mensen een diploma. Met deze mbo-opleiding zijn gediplomeerden opgeleid om bepaalde specialistische taken uit te voeren die normaal alleen door verpleegkundigen mogen worden gedaan, zoals katheteriseren en injecteren.
Het aantal gediplomeerden in de richting ‘hulp bij zorg en welzijn’ nam de afgelopen jaren af.
(Het Centraal Bureau voor statistiek (CBS) vermeldde deze cijfers in het overzicht 2015.)
 
Mannen blijven een zeldzaamheid in zorgopleidingen. In 2015 haalden 22 duizend vrouwen en 2,1 duizend mannen een diploma in de verpleegkunde of (hulp bij) verzorging. Van de 24,5 duizend afgestudeerden voltooiden zeven van de tien een mbo-opleiding ‘hulp bij zorg en welzijn’ of ‘verzorging’ op niveau 1, 2 of 3. Bijna twee van de tien rondden de opleiding ‘verpleegkunde’ af op het vierde mbo-niveau en ruim een van de tien kreeg een bachelorsdiploma voor hbo verpleegkunde uitgereikt.
 
Verpleegkunde (hbo en mbo 4) en (hulp bij) verzorging (mbo 1/2/3) zijn traditioneel typische ‘vrouwenopleidingen’. Ook in 2014/’15 was gemiddeld meer dan 90 procent van de gediplomeerden een vrouw. Tussen de niveaus varieert de man-vrouwverhouding licht. Onder de verzorgenden (mbo 3) zijn de minste mannen te vinden; het aandeel vrouwen is hier met 94 procent het hoogst. In de mbo-opleiding voor verpleegkunde zijn de meeste mannen te vinden, maar was nog slechts 11 procent van de gediplomeerden een man.
De man-vrouwverdeling verschilt weinig tussen de herkomstgroeperingen. Onder gediplomeerden met een allochtone achtergrond zijn bijna evenveel mannen als onder gediplomeerden van autochtone herkomst.
 
Minder geregistreerde verpleegkundigen
Het aantal geregistreerde verpleegkundigen is flink gedaald. Eind 2014 waren het er 87 duizend minder dan in 2013. De daling is een gevolg van de verplichte herregistratie, waarbij eisen zijn gesteld aan recente werkervaring, direct contact met patiënten en bijscholing. Hoewel vooral niet of elders werkende verpleegkundigen hun inschrijving kwijtraakten, daalde toch ook het aantal geregistreerde verpleegkundigen dat in de zorg werkt.
Eind 2014 waren er 180 duizend in het BIG-register geregistreerde verpleegkundigen in Nederland, een derde minder dan de 267 duizend in 1913. De herregistratie had vooral gevolgen voor niet-werkzame verpleegkundigen: hun aantal nam af van 47 duizend in 2013 naar 6 duizend in 2014. Ook stonden er in 2014 met 12 duizend aanzienlijk minder elders werkzame verpleegkundigen geregistreerd dan in 2013 (31 duizend).
 
Na de nieuwe registratie staan er ook minder in de zorg werkzame verpleegkundigen geregistreerd. In 2014 waren dat er 161 duizend, 14 procent minder dan de 188 duizend in 2013. Een deel van de uitgeschreven verpleegkundigen werkt nog wel in de zorg, bijvoorbeeld in een leidinggevende positie. Als daarin geen direct contact met patiënten is, vervalt de registratie. Ook onvoldoende bijscholing of het werken onder het opleidingsniveau kunnen reden zijn voor het doorhalen van de registratie. Naast de doorgehaalde registraties kwamen er ook nieuwe ingeschreven verpleegkundigen bij.
 
Jonger
De verpleegkundigen die nu in het BIG-register staan, zijn gemiddeld jonger dan vóór de herregistratie. Het aandeel verpleegkundigen jonger dan veertig steeg van 33 procent in 2013 naar 37 procent in 2014. Dat komt doordat de doorgehaalde registraties in de meeste gevallen een veertigplusser betrof. Deze leeftijdsgroep is vaker niet werkzaam, of heeft een leidinggevende positie.