Bedrijfscommissie voor de zorg

De Bedrijfscommissie voor de Zorg heet officieel Bedrijfscommissie Markt II.
Op 1 juli 2010 werd deze bedrijfscommissie ingesteld, gericht op ondernemingen waarin in hoofdzaak activiteiten worden uitgevoerd op het gebied van zorg, welzijn, cultuur, onderwijs, sport dan wel in het kader van overige sociale, culturele en maatschappelijke voorzieningen en belangen (zie ook artikel: Bedrijfscommissies bij de SER).
 
De bedrijfscommissie bestaat uit 12 leden en 12 plaatsvervangende leden, benoemd door de volgende organisaties:
 
Organisaties van ondernemers

  • 3 leden en 3 plaatsvervangende leden door: ActiZ organisatie van zorgondernemers, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), Geestelijke Gezondheidszorg Nederland (GGZ Nederland) en Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) gezamenlijk;
  • 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door: Maatschappelijk Ondernemers Groep (MO groep) en Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gezamenlijk;
  • 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door: Werkgeversvereniging Openbare Bibliotheken (WOB), Kunstconnectie en Algemene Werkgeversvereniging VNO-NCW (AWVN) gezamenlijk;
  • 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door: MBO-Raad, HBO-Raad, Vereniging van Universiteiten (VSNU) en Werkgeversorganisatie in de Sport (WOS) gezamenlijk.
Organisaties van werknemers

  • 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door: FNV Zorg en Welzijn;
  • 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door: FNV KIEM en Algemene Onderwijsbond (Aob) gezamenlijk;
  • 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door: CNV Zorg en Welzijn, CNV Kunstenbond en CNV Onderwijs gezamenlijk;
  • 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door: De Unie en Federatie Onderwijsbonden CMHF gezamenlijk;
  • 1 lid en 1 plaatsvervangend lid door: Federatie van beroepsorganisaties in de zorg (FBZ), Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD) en Nieuwe Unie 91 (NU 91) gezamenlijk.
Taak
De Bedrijfscommissie heeft op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) de taak om medezeggenschapsaangelegenheden die voortvloeien uit de toepassing van de WOR te behandelen (artikel 37 juncto 46d onder e WOR). Daartoe behoren ook de bemiddeling en advisering over WOR-geschillen die kunnen ontstaan tussen de ondernemingsraad en de ondernemer over vrijwel alle onderwerpen die in of krachtens de WOR zijn geregeld, dus ook geschillen over de scholing van de ondernemingsraad.
 
Verder kan een geschil tussen een belanghebbende en de ondernemingsraad en/of de ondernemer over de instellingsplicht, de vaststelling van het reglement, de publicatie van agenda’s en verslagen van de ondernemingsraad of verkiezingsvraagstukken eveneens ter bemiddeling en advisering worden voorgelegd aan de Bedrijfscommissie.
Sinds 2013 is er geen verplichting meer om een WOR-geschil ter bemiddeling en advisering aan de Bedrijfscommissie voor te leggen alvorens eventueel de gang naar de rechter te maken.
 
Geschillen
De geschillenregeling bij de bedrijfscommissie is facultatief, met andere woorden, de ondernemingsraad en de ondernemer kunnen er samen voor kiezen om hun geschil al of niet ter behandeling voor te leggen aan de bedrijfscommissie.
 
Het volgen van deze procedure heeft wel een aantal voordelen, zoals:

  • de samenstelling van de Bedrijfscommissie biedt de waarborg dat het WOR-geschil wordt beoordeeld door een commissie die zowel juridische kennis heeft (van de WOR en aanverwante, relevante wet- en regelgeving), alsook inhoudelijk bekend is met de specifieke sectoren waarvoor zij is ingesteld;
  • de procedure beoogt primair een toekomstgerichte en duurzame oplossing te bieden (compromis sluiten), zodat het medezeggenschapsproces weer in gang kan worden gezet.
  • Indien het geschil door bemiddeling niet kan worden opgelost, geeft de Bedrijfscommissie ook een juridisch oordeel;
  • de procedure is informeel, de-escalerend, efficiënt en laagdrempelig. Er zijn geen vormvereisten voor het aanhangig maken van het geschil waardoor (kostbare) rechtsbijstand niet echt nodig is;
  • de procedure is kosteloos; er is ook geen advocaat noodzakelijk.
Een verzoek om bemiddeling wordt behandeld door een geschillencommissie, bestaande uit in beginsel vijf leden uit de leden en plaatsvervangende leden van de bedrijfscommissie; twee werknemersleden, twee werkgeversleden en één lid dat optreedt als onafhankelijk voorzitter. Per zittingsdag wordt een geschillencommissie samengesteld die de verzoeken om bemiddeling be- en afhandelt.
Er vindt in beginsel eenmaal per maand een zittingsdag plaats waarop verzoeken om bemiddeling worden behandeld.