CAO GGZ 2017-2019

Werkingssfeer

De CAO Gehandicaptenzorg is van toepassing op:

  1. De rechtspersoon die – al dan niet tezamen met een of meer andere rechtspersonen – een of meer organisaties in stand houdt met als doel het bieden van zorg, begeleiding en dienstverlening op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg en/of de verslavingszorg dan wel het ontwikkelen van kennis en/of methodieken op dit gebied.
  2. De Regionale Instellingen voor Nascholing en Opleiding.
  3. De rechtspersoon die – al dan niet gezamenlijk met een werkgever, vallend onder een andere CAO op het gebied van de zorg en/of welzijn – is opgericht door een of meer rechtspersonen, zoals bedoeld onder 1 en uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verleent aan deze rechtsperso(o)n(en), welke diensten bestaan uit werkzaamheden die gebruikelijk in de desbetreffende instellingen worden of werden verricht.
  4. De rechtspersoon die is opgericht door een of meer van de rechtspersonen, zoals bedoeld onder 1 dan wel de rechtspersoon waarin een of meer rechtspersonen zoals bedoeld onder 1 een meerderheidsbelang of een overwegende mate van zeggenschap heeft (hebben) en die onder meer activiteiten verricht op gebied van de geestelijke gezondheidszorg en/of de verslavingszorg.

 

 

2013

2014

2015

2016

Aantal werknemers

89.357

85.501

83.242

82.502

Zie ook artikel “Arbeidsmarkt GGZ en Gehandicaptenzorg 2017”.

 

Werkgeverspartij
Aan werkgeverszijde wordt de CAO ondertekend door de Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland. GGZ Nederland heeft ruim 100 instellingen als lid.

 

Werknemerspartijen
Ingaande 2015 zijn de volgende naamswijzigingen ingevoerd:

  • AbvaKabo FNV wordt FNV Zorg en Welzijn,
  • CNV Publieke Zaak wordt CNV Zorg en Welzijn.

Aan werknemerszijde zijn de volgende werknemersorganisaties vertegenwoordigd:

  • FNV Zorg en Welzijn per 1 januari 2017: 12.689 leden,
  • CNV Zorg en Welzijn per 1 januari 2017: 1.764 leden,
  • FBZ per 1 januari 2017: 4.596 leden,
  • NU’91 per 1 januari 2016: 2.735 leden.

 

Wijzigingen/aanvullingen:

 

Looptijd

1 maart 2017 tot 1 juni 2019.

 

Loon

  • Per 1 juli 2017 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,35%.
  • Per 1 juli 2018 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6%.
  • In oktober 2017 wordt een eenmalige uitkering toegekend van 0,25% van twaalf maal het op 1 oktober 2017 geldende salaris.
  • In oktober 2018 wordt een eenmalige uitkering toegekend van 0,25% van twaalf maal het op 1 oktober 2018 geldende salaris.

Voor de werknemer die in deeltijd heeft gewerkt, of een deel van die periode in dienst is geweest, en/of onbetaald verlof heeft genoten, vindt in beide gevallen een berekening naar evenredigheid plaats.

 

Uitkering ORT

De medewerker die in de periode 1 januari 2013 tot 1 juli 2015 op onregelmatige tijdstippen heeft gewerkt, krijgt een eenmalige uitkering in de vorm van driemaal een niet-pensioengevende eenmalige uitkering, teneinde (onnodige) rechtszaken te voorkomen.

De tegemoetkoming wordt als volgt toegepast:

  • De medewerker ontvangt bij de betaling van het salaris in de maand oktober 2017 een eenmalige uitkering ter hoogte van 8,8% (= 166 /1878) van het verdiende ORT-bedrag over het kalenderjaar 2013.
  • De medewerker ontvangt bij de betaling van het salaris in de maand oktober 2018 een eenmalige uitkering ter hoogte van 8,8% van het verdiende ORT-bedrag over het kalenderjaar 2014.
  • De medewerker ontvangt bij de betaling van het salaris in de maand maart 2019 een eenmalige uitkering ter hoogte van 8,8% van het verdiende ORT-bedrag over de eerste 6 maanden van 2015.

De medewerker die geen gebruik wenst te maken van deze schikking dient dit vóór 1 september 2017 schriftelijk kenbaar te maken. Met het aanvaarden van de eerste eenmalige uitkering ziet de medewerker af van een ORT-claim over de periode vóór 1 juli 2015.

 

Pensioenaftopping

Met ingang van 1 januari 2017 ontvangt iedere medewerker die niet meer over het volledige inkomen fiscaal gefaciliteerd pensioen opbouwt een structurele maandelijkse bruto toelage, bestaande uit het werkgeversdeel van de pensioenpremie (thans 11,75%) over het inkomensdeel waarover geen pensioen meer wordt opgebouwd.