De opleiding van de (beginnende) verpleegkundige

De algemeen ziekenhuizen kijken goed naar de kennis en vaardigheden van beginnend verpleegkundigen

Op vier punten bestaat kritiek:

  • De kennis van anatomie, fysiologie en pathologie schiet tekort. Verpleegkundigen kunnen hun werk niet doen zonder gedegen kennis van deze vakgebieden. Bovendien is dit nodig om gesprekspartner te kunnen zijn voor andere zorgverleners, zoals artsen.
  • Beginnende verpleegkundigen zijn onvoldoende in staat klinisch te redeneren omdat ze moeilijk verbanden kunnen leggen; ze ontberen het ‘niet-pluis-gevoel’ en de klinische blik.
  • De rekenvaardigheid laat zeer te wensen over (zie artikel “Rekenen van de verpleegkundigen toetsen“).
  • Er is onvoldoende zelfsturing en het nemen van verantwoordelijkheid; in het algemene ziekenhuis zijn dit noodzakelijke vaardigheden.

Voor anatomie, fysiologie en pathologie en verpleegkundig rekenen is door de algemene ziekenhuizen al aangegeven welke kennis en vaardigheden voor een beginnend verpleegkundige van belang zijn. Algemene ziekenhuizen stellen de volgende eisen aan de kennis en vaardigheden van beginnend verpleegkundigen:

  • Op het gebied van anatomie beschikken over kennis van alle stelsels (kunnen aanwijzen, benoemen en/of herkennen).
  • Voor fysiologie: van alle stelsels de functie en de werking kunnen beschrijven.
  • Pathologie: benoemen wat oorzaken, verschijnselen van en complicaties bij aandoeningen zijn. Over de mate van kunnen herkennen en daartussen verbanden leggen, zijn de meningen verdeeld.
  • Voor alle aandoeningen en vrijwel alle onderzoeken: de behandelmethoden kunnen benoemen. (Net als bij pathologie is men over het toepassen van verpleegkundige acties bij verschijnselen en complicaties minder eensgezind.)
  • Alle voorgelegde rekenvaardigheden kunnen toepassen.

School en/of praktijk
Er bestaat in de algemene ziekenhuizen een breed gedragen opvatting over de plaats waar verpleegkundigen hun vak leren; zowel op school als in het ziekenhuis. Het laatste is vooral van belang omdat dat een krachtige leeromgeving is (‘geen dag en geen patiënt hetzelfde’) en omdat aankomend verpleegkundigen de kneepjes van het vak vooral leren van ervaren verpleegkundigen. Daarbij gaat het om het oefenen (leren beheersen) van verpleegtechnische en praktische vaardigheden, de rollen van de verpleegkundige, de houding die wordt gevraagd, routines, situaties inschatten en het omgaan met steeds wisselende omstandigheden. Voor ziekenhuizen is de werknemers van morgen opleiden een maatschappelijke plicht en door zelf op te leiden is er directe invloed.

Ziekenhuizen willen niet alleen invloed hebben op de inhoud, maar ook op de wijze van opleiden. Het opleiden van verpleegkundigen wordt gezien als een gedeelde verantwoordelijkheid van ziekenhuis en beroepsonderwijs. Die verantwoordelijkheid moet op alle niveaus gestalte krijgen: strategisch, tactisch en operationeel. De opleiding van verpleegkundige kwalificeert voor een beroep en de kennis van dat beroep zit in de ziekenhuizen.

Sommige ziekenhuizen willen vaststellen wat er aan de orde moet komen en dat scholen bepalen hoe dat gebeurt. Andere ziekenhuizen gaan verder en willen dat zij ook bij de uitvoering zijn betrokken en het praktijkdeel van de opleiding uitsluitend in het ziekenhuis plaatsvindt.

Vrijwel iedereen vindt dat de theorie en praktijk beter op elkaar moeten worden afgestemd en dat er meer ziekenhuispraktijk in de opleiding moet komen. Om de gewenste rolverdeling te realiseren, moet het contact met de opleidingen verbeteren. Suggesties daarvoor zijn:

  • het zorgen voor structureel contact (in plaats van de incidentele contacten van nu),
  • direct contact tussen werkbegeleider, stagebegeleider en docent (in plaats van via de opleidingsadviseur),
  • contacten met het onderwijs zouden moeten starten met het gezamenlijk vaststellen en analyseren van de problemen in de opleiding en de doelen om die aan te pakken.

Ook de contacten tussen ziekenhuizen onderling en met andere zorgaanbieders (in de regio) over het opleiden van verpleegkundigen, zouden beter moeten met als doel het bereiken van consensus over wat en hoe er geleerd moet worden. Het beschrijven van de kennis en vaardigheden van beginnend verpleegkundigen in dit onderzoek is voor de NVZ een stap om ziekenhuizen te stimuleren een visie te formuleren op de verpleegkundige opleidingen en hun eigen rol. Daarbij gaat het om twee vragen:

  • wat vinden andere actoren (roc’s, hogescholen, beroepsorganisaties en andere branches) van de onderzoeksresultaten?
  • hoe kunnen de opvattingen van de algemene ziekenhuizen worden gerealiseerd?