Metamonitor 2013 agressie en geweld in de zorg

Met het programma Veilige Publieke Taak (VPT) (zie ook “Programma Veilige Publieke Taak 2011-2015“) stimuleert de overheid de vermindering van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Het ministerie van BZK heeft in de afgelopen jaren drie keer onderzoeken uitgevoerd naar de omvang, de gevolgen en de implementatie van maatregelen in organisaties.

In 2013 liet het ministerie van BZK geen centraal onderzoek uitvoeren, maar een metamonitor.

Een metamonitor gebruikt resultaten van eerdere onderzoeken om een beeld van agressie en geweld te vormen, zonder onderzoek. Een voordeel van metamonitoring is een grotere efficiëntie: er wordt geen dubbel werk gedaan. Dit verlaagt de onderzoeksbelasting. Een inhoudelijk voordeel is dat sectorale monitoren meer toegespitst kunnen worden op eigen bijzondere kenmerken.

Uit metamonitor 2013 geven wij een samenvatting van het deel Zorg en Welzijn, waarbij wij uitsluitend aandacht schenken aan de resultaten over de zorg.

Zorg en Welzijn
Uit de bronnen voor het onderzoek blijkt het volgende:

  • Werknemers in de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg worden het meest met agressie en geweld geconfronteerd en werknemers in de thuiszorg en de ziekenhuizen het minst.
  • De verschillen tussen de branches hangen samen met het feit dat agressie vaak cliëntgebonden is; agressie hangt samen met de aard van de ziekte of beperking.
  • Dit laatste speelt meer in gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg dan in bijvoorbeeld ziekenhuizen.
  • Alleen in ziekenhuizen en de VVT (verzorgings-, verpleeghuizen, thuiszorg) is er een beperkte invloed van agressie en geweld op de werktevredenheid.
  • In ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg en welzijn hebben slachtoffers meer last van psychische uitputting.
  • In ziekenhuizen en de VVT meldden slachtoffers van agressie en geweld zich in 2011 vaker en langer ziek dan niet-slachtoffers; in de gehandicaptenzorg zijn zij niet langer, maar wel vaker ziek.
  • In de gehandicaptenzorg en de GGZ komt agressie en geweld het meest voor, met name verbale en fysieke agressie. Weinig komt dit voor in de thuiszorg, de kraamzorg en ziekenhuizen.

De meerderheid van de werknemers vindt het niet nodig dat er meer maatregelen tegen agressie en geweld worden genomen. Het aandeel medewerkers dat vindt, dat er wel extra maatregelen nodig zijn, is tussen 2011 en 2012 afgenomen. Alleen in de branches waar agressie en geweld het meest voorkomen is het aandeel voorstanders van extra maatregelen juist toegenomen: (gehandicaptenzorg (van 21% naar 27%) en GGZ (van 24% naar 27%)). Volgens een meerderheid van de werknemers zijn (aanvullende) maatregelen tegen agressie en geweld niet nodig. In de VVT en ziekenhuizen oordeelt een substantiële groep medewerkers dat maatregelen onnodig zijn, omdat agressie en geweld niet spelen. In de GGZ vindt de meerderheid dat er al voldoende maatregelen genomen zijn.

Inspectie SZW
De inspectie SZW (de voormalige Arbeidsinspectie) heeft in de twee onderstaande branches in 2012 herinspecties uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er meer aandacht is voor agressie. De invoering van maatregelen is beter op orde, met name op het gebied van gedragsregels, toezicht en alarmering bij incidenten.

Geestelijke gezondheidszorg
De selectie van crisisdiensten en verslavingszorginstellingen was niet representatief, maar risicogericht. Bij ruim de helft (15 instellingen) bleek het beleid op orde.

Bij vijf instellingen werden incidentele tekortkomingen vastgesteld, bij zes instellingen structurele. De meest voorkomende lacunes in het beleid waren voorlichting en training van personeel, alarmeringssystemen en -procedures (om hulp in te roepen wanneer nodig) en de analyse en evaluatie van incidenten. In alle instellingen waren gedragsregels voor cliënten.

Kraam- en thuiszorg
Bij 29 van de 51 kraam- en thuiszorginstellingen oordeelde de Inspectie dat het beleid op orde was. Het betrof risicogerichte inspecties, waardoor er geen sprake is van een representatieve doorsnee van instellingen.

Negen instellingen waren goed op weg om het beleid op orde te krijgen; bij dertien instellingen werden structurele tekortkomingen gevonden. De belangrijkste aandachtspunten waren de inventarisatie van de risico’s, de evaluatie van de maatregelen, de incidentanalyse en voorlichting en training.

Effecten

Werktevredenheid
In ziekenhuizen was er in 2011 een relatie tussen de tevredenheid over het werk en het al dan niet slachtoffer zijn van agressie en geweld door externen. Op een schaal van 1 (zeer ontevreden) tot en met 5 (zeer tevreden) scoren slachtoffers een 3,9, terwijl niet-slachtoffers een 4,0 scoren. Dit is een klein en statistisch significant verschil. Er was in 2012 geen verschil tussen slachtoffers en niet-slachtoffers te zien. Bij GGZ, VVT en gehandicaptenzorg is er geen relatie tussen werktevredenheid en slachtofferschap.

Psychische uitputting
Ervaringen met agressie en geweld blijken tot psychische uitputting te leiden. Voor ziekenhuizen en VVT zijn zowel in 2011 als in 2012 significante verschillen tussen slachtoffers en niet-slachtoffers op alle indicatoren voor psychische uitputting.

In de GGZ is er een significant verschil tussen slachtoffers en niet-slachtoffers in 2011 voor emotionele uitputting. In de gehandicaptenzorg is er een significant verschil voor emotionele uitputting in 2011 en 2012, en in 2011 voor het zich leeg voelen na een werkdag.

Ziekteverzuim
In ziekenhuizen en de VVT bestaat een relatie tussen slachtofferschap van agressie en geweld en ziekteverzuim.

  • In ziekenhuizen verzuimen slachtoffers vaker en langer dan niet-slachtoffers. Slachtoffers verzuimden in 2011 1,4 keer, niet-slachtoffers 1,0 keer. Het gemiddeld aantal dagen verzuim in 2011 bedraagt voor slachtoffers 9,5 dagen, tegen 5,8 dagen voor niet-slachtoffers. In 2012 is er onder ziekenhuispersoneel geen significant verschil tussen slachtoffers en niet-slachtoffer te zien.
  • In de VVT zijn soortgelijke verschillen te zien, eveneens alleen voor 2011. Slachtoffers verzuimden toen gemiddeld 1,3 maal, terwijl niet-slachtoffers 1,0 maal verzuimden. Het gemiddeld aantal verzuimdagen bedraagt respectievelijk 9,8 dagen en 7,4 dagen.
  • In de gehandicaptenzorg ten slotte is er in 2011 een verschil in het aantal malen verzuim te zien tussen slachtoffers (1,2 maal) en niet-slachtoffers (0,8 maal).