OR aan de basis

Het uitgangspunt van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) is: “De medezeggenschapsstructuur moet bevorderlijk zijn voor een goede toepassing van de wet”. In veel grote instellingen – “concerns” – speelt de vraag: moeten wij werken met meerdere ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad, of juist met één ondernemingsraad en onderdeelcommissies?

Deze vraag geldt ook voor een “concern” of “moeder” met vier stichtingen en een vennootschap. Deze stichtingen en de vennootschap houden ondernemingen in stand die zich bewegen op de terreinen van het welzijnswerk en maatschappelijke dienstverlening en/of kinderopvang. De structuur van de medezeggenschap in deze vennootschap/concern bestaat uit één (tijdelijke) centrale ondernemingsraad voor concernbrede aangelegenheden. Daarnaast hebben de drie stichtingen en de vennootschap elk een afzonderlijke ondernemingsraad en heeft één stichting een onderdeelcommissie.
Naar aanleiding van een conflict over deze inrichting van de medezeggenschap werd de volgende vraag aan de kantonrechter voorgelegd: “welke medezeggenschapsstructuur is het meest bevorderlijk voor een goede toepassing van de WOR”.

De concernleiding vindt één gemeenschappelijke ondernemingsraad wel genoeg. De COR en de ondernemingsraden pleiten voor aparte ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad.

Omdat deze vraag – in vele varianten – binnen veel zorginstellingen leeft, publiceren wij hier de uitspraak van de kantonrechter.