OR en voordracht Raad van Toezicht

Op 1 januari 2006 trad de Zorgbrede Governancecode in werking voor de totale zorgsector; Voor de ziekenhuizen geldt dit met ingang van 2005 zie “Jaarboek Werknemers in de zorg 2007”. De code geeft richtlijnen voor het vermijden van belangenverstrengeling en waarborgen voor onafhankelijkheid voor de leden van de Raad van Toezicht (RvT). In de code wordt onder andere bepaald, dat het niet wenselijk is, dat leden van de RvT op voordracht worden benoemd, maar ook dat, als een lid van RvT op voordracht is benoemd, zijn functie wordt vervuld zonder last en ruggespraak. In een groot aantal zorginstellingen heeft de OR echter het recht om een of meer leden voor de RvT voor te dragen. De nog relatief jonge Zorgbrede Governancecode kan leiden tot interpretatiegeschillen in de situatie dat de OR voordrachtsrecht heeft. In juli 2008 deed de ondernemingskamer de volgende uitspraak, die over deze interpretatiegeschillen duidelijkheid schept.

Uitspraak
Een zorginstelling op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg, heeft zijn ondernemingsraad verzocht om te adviseren over het voorgenomen besluit tot wijziging van de statuten uit 1998. De oude statuten geven de OR het recht tot voordracht van een lid van de Raad van Toezicht (RvT) en het recht om zijn mening over een wijziging van de statuten kenbaar te maken. In de nieuwe (te wijzigen) statuten keren deze rechten niet terug. De ondernemer stelt dat het vervallen van beide rechten gebaseerd is op de Zorgbrede Governancecode. De OR heeft het standpunt dat deze Code niet meebrengt dat beide rechten moeten vervallen. De OR ging in beroep bij de Ondernemingskamer toen het bestuur van de instelling het voorgenomen besluit niet aanpaste.

In de uitspraak stelt de Ondernemingskamer (OK) dat uit de Zorgbrede Governancecode niet valt af te leiden dat de opstellers hebben beoogd dwingend voor te schrijven dat geen leden van een Raad van Toezicht op voordracht zullen worden benoemd. Integendeel, in de Code wordt weliswaar vooropgesteld dat een voordrachtsrecht onwenselijk is, maar wordt uitdrukkelijk ruimte gelaten voor het laten voortbestaan van statutaire voordrachtsrechten. De intentie van de ondernemer om bij de Code aan te sluiten, rechtvaardigt intrekking van het voordrachtsrecht dus niet. Dat de onafhankelijkheid en transparantie in de Raad van Toezicht bevorderd worden door het ontnemen aan de OR van het voordrachtsrecht valt niet in te zien, zeker als de OR – zoals in deze zaak – geen enkele invloed heeft op het functioneren van en het innemen van standpunten door de op voordracht benoemde kandidaat. Dat de Code zou dwingen tot het ontnemen aan de OR van het recht om zijn mening kenbaar te maken over een statutenwijziging valt geheel niet in te zien. Ook de overige argumenten van de ondernemer acht de Ondernemingskamer niet steekhoudend. De OK bepaalde dan ook dat het voorgenomen besluit van de instelling moet worden ingetrokken; m.a.w. de rechten van de OR worden niet aangetast.