UMC’s niet naar Pensioenfonds Zorg en Welzijn

De overgang van de UMC’s van ABP naar PFZW gaat niet door. Al sinds begin 2011 is het streven, dat de 8 universitair medische centra (UMC’s) overstappen van pensioenfonds ABP naar Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW), voorheen PGGM (zie hoofdstuk De Pensioenvoorziening). De pensioenen van de UMC’s zijn traditioneel ondergebracht bij het ABP. PFZW is het pensioenfonds van de zorg en heeft veel ervaring in en kennis van de zorgsector. Het is dan ook logisch dat deze overstap zou worden gemaakt, want dan zijn alle zorgorganisaties aangesloten bij PFZW.

Voor de UMC-werknemers zou een overstap naar een andere zorgwerkgever dan een UMC niet langer een overstap naar een ander pensioenfonds betekenen.

Voor sociale partners waren voorwaarden voor de overstap dat:

  • bestaande rechten behouden blijven,
  • de overgang geen weerslag heeft op de verdeling van pensioenpremies tussen werknemers en werkgevers
  • het begrote bedrag niet wordt overschreden.

Begin juli 2013 werd een principeovereenkomst gesloten tussen de pensioenfondsen ABP, PFZW en het LOAZ (Overleg van werkgevers en werknemer), dit werd voorgelegd aan De Nederlandsche Bank.

Achteruitgang
Er volgden overgangsmaatregelen, waardoor 158.000 (oud)medewerkers die in dienst zijn van de UMC’s, vanaf 1 januari 2015 pensioen zouden opbouwen bij PFZW. Voorstellen over de uitvoering van de NFU (Nederlandse Federatie van UMC’s) leiden voor de werknemers tot een structurele achteruitgang in het netto inkomen vanaf 2016: dat kan oplopen tot enkele honderden euro’s per jaar, afhankelijk van het inkomen. Om die reden verzochten de werknemersorganisaties de NFU nieuwe berekeningen te maken met een andere pensioenpremieverdeling, zodat hieruit een beter netto inkomensplaatje naar voren komt. Uit die door PFZW gemaakte berekeningen van de overgangsmaatregelen bleek dat het mogelijk was om een afspraak te maken over een premieverdeling tussen werkgever en werknemer die voldoet aan het uitgangspunt van geen netto achteruitgang.

Bij verdere onderhandelingen stelde de NFU echter dat er geen ruimte was om aan het netto-netto uitgangspunt te kunnen voldoen. Wel is enigszins geschoven, maar het uiteindelijke plaatje bleef toch negatief voor werknemers. Daarnaast wilde de NFU uiteindelijk toegroeien naar een andere premieverhouding. De werkgever draagt dan 51 procent bij en de werknemer 49 procent. Die andere verhouding zou in belangrijke mate door de werknemers gefinancierd moeten worden uit mogelijke toekomstige premieverlagingen van het PFZW.

Geen overgang
Op grond van bovenstaande kunnen de werknemersorganisaties geen positief oordeel meer geven over de overgang naar pensioenfonds PFZW. Duidelijk is dat de rekening van deze overgang vooral bij de werknemers werd neergelegd. Daarnaast blijft een aantal onzekerheden bestaan dat kan leiden tot een langdurige discussie tussen de werknemersorganisaties en de NFU over een andere premieverdeling. Als gevolg van deze ontwikkeling gaat de overgang van de UMC’s van ABP naar PFZW niet door