Voortgang invoering Wet Normering Topinkomens (WNT)

Half november 2015 zond de minister van Binnenlandse Zaken (BiZa) aan de Tweede Kamer een brief over de voortgang van de Wet Normering van de Topinkomens (WNT) in de (semi)publieke sectoren (zie ook artikel “Wet Normering Topinkomens (WNT)” en “Kabinet scherpt WNT aan“)
De oorspronkelijke WNT (2013) bepaalde het beloningsmaximum voor topinkomens (lees directies) op 130% van het ministersalaris. De later aangescherpte WNT-2 verlaagde dit beloningsmaximum naar 100% van het salaris van een minister.
Als de invoering van de beloningsmaxima verlaging van een individuele bij arbeidsovereenkomst afgesproken salaris inhoudt, geldt een procedure van (4+3) 7 jaar, zoals in de WNT bepaald.
Elk jaar stuurt de minister van BiZa een evaluatie van de toepassing van de wet aan de Tweede Kamer
 
De WNT-2 is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Het algemene salaris maximum werd toen € 178.000 (100%) (was voordien € 230.474,130%) en wordt met ingang van 1 januari 2016 aangepast op € 179.000.
De volledige invoering van de WNT-2 vereist de volgende nadere regelgeving:

  1. de nieuwe normering van de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (kortdurende externe inhuur of interims) voor de eerste twaalf maanden. (Zie ook artikel “WNT ook voor interim-directies“.);
  2. het bepalen van de (evt. verlaagde) eigen normen per sector vanaf 1 januari 2016.
ad 1. Een algemene maatregel van bestuur (Amvb) waarin nadere regels worden gesteld over de maximale bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking (externe inhuur of interims) voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling. Voor hen geldt het wettelijk bezoldigingsmaximum van € 179.000 of het eigen (lagere) sector maximum (zie ad 2).
In de Amvb wordt bepaald, dat in de eerste twaalf maanden de bezoldiging niet meer mag bedragen dan de som van € 24.000 per maand in de eerste zes maanden en € 18.000 per maand in de volgende zes maanden. Ook geldt een uurtarief van maximaal € 175,–.
Deze nieuwe normering (voor interims) is met ingang van 1 januari 2016 in werking getreden.

ad 2. Op basis van de WNT moeten er voor specifieke sectoren eigen (evt. verlaagde) normen worden vastgesteld voor de zorg, wetenschappelijk onderwijs, volkshuisvesting/woningcorporaties en zorgverzekeraars.
Deze sectornormen worden door de desbetreffende vakminister vastgesteld. Voor de zorg dus door de minister van VWS
 

Zorg

De Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in de Zorg (NVTZ) heeft in 2007 een eigen bezoldigingsregeling vastgesteld (zie artikel “Salariëring Zorgbestuurders BBZ“). De NVTZ heeft deze regeling aan de minister van VWS (met klassenindeling van de directiesalarissen) voorgelegd. De voorgestelde klassen worden in dit voorstel onderscheiden op basis van 3 criteria (kennisintensiteit, complexiteit en omzet).
Op basis van deze criteria worden de instellingen ingedeeld in vijf klassen met bijbehorende bezoldigingsmaxima.
De minister van VWS hanteerde het voorstel van de NVTZ als uitgangspunt voor de ministeriële regeling voor de zorg, die vanaf 1 januari 2016 van kracht werd (zie artikel “Minister stelt bezoldigingsmaxima topfunctionarissen vast”).

Reacties
Naar aanleiding van deze voortgang van de WNT zond de NVZ (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen) aan de Vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken een brief, waarin werd gevraagd om een uitzonderingspositie voor de salarissen van bestuurders van ziekenhuizen bij de invoering van de WNT-2.
Het salaris van topbestuurders wordt immers verlaagd van 130% naar 100% van een ministersalaris. De NVZ neemt aan dat medisch specialisten niet bereid zijn om zitting te nemen in het bestuur van ziekenhuizen omdat ze daarvoor teveel salaris zouden moeten inleveren.
In een reactie wijst FNV Zorg dit verzoek van de NVZ af. (De WNT is juist ingevoerd om excessieve beloningen en ontslagvergoedingen in de (semi)-publieke sector tegen te gaan.) Op deze manier bepalen de medisch specialisten de norm van de bestuurderssalarissen, dat is de omgekeerde wereld. Wij moeten met z’n allen de zorg betaalbaar houden, daar moeten ook medisch specialisten en andere bestuursleden aan bijdragen. Waarom zouden zij meer moeten verdienen dan de minister, die verantwoordelijk is voor de hele zorg?
Medisch specialisten en bestuurders moeten net als het andere ziekenhuispersoneel gewoon in loondienst komen.