Wetswijzigingen thuiszorg

Op 20 maart en 18 april 2012 werd in de Eerste Kamer gestemd over 3 door het toenmalige kamerlid Kant ingediende voorstellen tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Er zijn grote problemen in de thuiszorg. Schoonmaakbedrijven verdringen verzorgenden; ouderen en zieken krijgen te veel wisselende krachten over de vloer. Deze wetten geven gemeenten de ruimte om van de thuiszorg goede zorg te maken.

Het gaat om de volgende 3 voorstellen:

  • beëindiging van de verplichting tot het aanbesteden van maatschappelijke ondersteuning; m.a.w. de marktwerking te stoppen.
  • de vaststelling van basistarieven voor huishoudelijke verzorging; m.a.w. een basistarief op te nemen voor de thuiszorg.
  • de bekostiging van het gemeentelijk beleid op het terrein van de huishoudelijke verzorging door middel van specifieke uitkeringen te laten plaatsvinden; m.a.w. de gelden voor thuiszorg ook expliciet te bestemmen voor de thuiszorg.

Bij de stemming in de Eerste Kamer werd

  • voorstel nr. 1.: aangenomen op 18 april 2012
  • voorstel nr. 2.: aangenomen op 20 maart 2012
  • voorstel nr. 3.: verworpen

Wetteksten
De voorstellen 1 resp. 2 zijn vastgelegd in de volgende wetswijzigingen: In de Wmo wordt een nieuw artikel 10 opgenomen, luidende:

  • Het college van burgemeester en wethouders garandeert bij het verrichten van maatschappelijke ondersteuning de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning.
  • Het college van burgemeester en wethouders kan het verlenen van maatschappelijke ondersteuning door derden laten verrichten.
  • Het college van burgemeester en wethouders garandeert bij het laten verrichten van maatschappelijke ondersteuning door derden de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning die door deze derden wordt verricht.

In de WMO wordt na artikel 21 een paragraaf ingevoegd, luidende:

Artikel 21a

  • Onze minister stelt jaarlijks, gehoord de Nederlandse Zorgautoriteit, de basistarieven vast voor het verrichten van huishoudelijke verzorging.
  • De basistarieven worden vastgesteld op basis van de reële kostprijzen van de onderscheidenlijke vormen van huishoudelijke verzorging.
  • Het college van burgemeesters en wethouders neemt bij het aangaan van overeenkomsten over het verrichten van huishoudelijke verzorging de vastgestelde basistarieven in acht.
  • Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde basistarieven.
  • Het ontwerp van een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.