Zorgen over huishoudelijke hulp WMO

CNV Publieke Zaak maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkelingen rond de huishoudelijke verzorging in het kader van de WMO. In een brief aan alle gemeenteraadsleden vroeg de bond medio april 2012 daarom aandacht voor het effect van de WMO in de praktijk.

Volgens CNV PZ zijn de effecten dramatisch en wijst daarbij op de volgende ontwikkelingen:

  • Grote aantallen cliënten krijgen minder zorg.
  • De kwaliteit van de zorg is verminderd, deels door de lagere indicatie en deels doordat cliënten hun vaste thuishulp verliezen.
  • Thuiszorgmedewerkers worden onderbetaald en hun kwaliteiten worden niet benut, omdat hun werk is gereduceerd tot schoonmaakwerk. Zij zoeken hun heil in andere sectoren of stoppen met werken.

De ontwikkelingen worden als volgt toegelicht:

Minder zorg
Sinds de invoering van de WMO heeft er een grote verschuiving plaatsgevonden van (Huishoudelijke Hulp) HH2 naar (goedkopere) HH1. In 2006 was de verdeling landelijk ongeveer 20% HH1 en 80% HH2; de verdeling verschoof richting 50%-50% in 2009 en die trend zet zich door. Er zijn gemeenten waar al 80% HH1 wordt geïndiceerd.

Financieel is dat een goede zaak voor een gemeente. Maar het is een fictie dat op grote schaal cliënten die voorheen niet hun eigen huishouden konden verzorgen, dat nu wel zouden kunnen. Grote aantallen cliënten krijgen dus minder zorg.

Minder kwaliteit
De kwaliteit van de dienstverlening is in hoge mate afhankelijk van de zorgverlener: de thuiszorgmedewerker die de huishoudelijke verzorging levert en een band heeft met de cliënten. Door de invulling die veel gemeenten aan de WMO geven, gaat dit verloren. De nadruk op de prijs heeft ertoe geleid dat veel bestaande aanbieders cliënten hebben verloren. Cliënten raken daarmee hun vaste hulp kwijt.

Ernstige gevolgen voor Thuiszorgmedewerkers
Zorgaanbieders stellen hun medewerkers voor de keuze: salarisverlaging of ontslag. Zo zijn al veel thuiszorgmedewerkers fors in salaris achteruitgegaan en worden onder hun niveau betaald.